Geplaatst in Indianen

De Geschiedenis Van De Indianen

 

Inleiding

Wanneer de meeste mensen aan Indianen denken, denken zij aan oorlogzuchtige mensen met veren in hun haar die te paard over een onafzienbare grasvlakte trekken op zoek naar bizons voor voedsel. Altijd zijn zij in oorlog met blauwjassen, de bereden soldaten van de Amerikaanse cavalarie.


indiaan1Over Nederlanders bestaat in het buitenland het beeld dat zij op klompen door de tulpenvelden lopen die zonder de dijken overstroomd zouden worden door de zee. Dit is waar en niet waar. Veel land in Nederland bestaat uit polders, vroeger liepen de boeren in Nederland inderdaad op klompen, en een aantal doet dat nog steeds, tulpen zijn een belangrijk exportprodukt, maar chips voor computers zijn dat ook.

Zo is dat ook met de Indianen. Het beeld van de Indiaan te paard is alleen waar voor de Indianen op de Prairie. De Prairie is een grasvlakte die ongeveer in het midden ligt van de Verenigde Staten van Noord-Amerika. In dit gebied trekken Indianen eigenlijk alleen in de periode tussen 1650 en 1880 rond op paarden. in de periode daarvoor zijn er geen paarden en daarna zijn er geen bizons meer om op te jagen en worden zij verplicht door de Amerikaanse overheid om op iin plek te blijven. Trouwens niet alle Indianen van de vlakte trekken rond op paarden. Anderen verblijven in die periode in dorpen langs de rivieren en zij gaan slechts iin keer in het jaar voor een paar weken met tenten en paarden de vlakte op, op zoek naar bizons.

Veren zijn voor bijna alle Indianen in heel Amerika belangrijk, maar niet voor allemaal. Iedere groep Indianen draagt de veren anders in het haar en voor iedere groep betekenen de veren iets anders. De soort veren die in de tooi gaat, is afhankelijk van de vogels die in het gebied voorkomen. Tegenwoordig is bij de meeste Indianen in Noord-Amerika de verentooi van de Sioux in de mode. Het lijkt erg op de modes in hoeden en petten in West-Europa.

In verhalen worden Indianen vaak als wreed en slecht afgeschilderd. In strips zijn Indianen vaak de schurken. Dat komt omdat zij de opmars van de blanken in Amerika hebben opgehouden. Bij de strijd om hun land hebben de Indianen zich met hand en tand verdedigd. Het is moeilijk dat slecht te vinden.
In werkelijkheid zijn het de kolonisten uit Europa, later de Amerikanen, geweest die wreed waren. Zij hebben het land op de Indianen veroverd en zij deinsden daarbij nergens voor terug. Ook spreken Indianen in strips vaak de taal slecht. De meeste Indianen spreken uiteraard hun eigen taal net zo goed of slecht als andere mensen hen eigen taal spreken.

Een andere bewering die je vaak hoort over Indianen is dat zij in harmonie met de natuur leven. Dit is niet helemaal waar. Ook Indianen hebben veel natuur verwoest. Duizenden dieren zijn gedood om hun bont te ruilen voor Europese goederen, zoals geweren. Bij veel Indiaanse volken bestaat wel veel respect voor niet-menselijk leven. Zo kennen veel volken de gewoonte om een dier voor vergeving te vragen nadat het gedood is.

Dit verhaal over de edele wilde heeft zijn oorsprong in de eerste contacten tussen Europeanen en Indianen. De Europeanen zijn dan onder de indruk van de democratie in veel Indiaanse samenlevingen en zien de Indianen als voorbeeld voor ons. De ideekn die wij nu hebben over Indianen zijn een combinatie van deze filosofen en de verhalen van de kolonisten over de wreedheid van Indianen. Allebei de zienswijzen kom je steeds weer tegen.

Voor de Indianen is de verovering van Amerika door de Europeanen een ramp. Zij sterven vanaf dat moment massaal aan voor hen onbekende ziektes, komen om in de slavernij of worden verdreven van hun land. Veel volken sterven zo uit. In Argentinik, Chili, Texas, het oosten van Noord-Amerika en Californik zijn bijna alle Indiaanse volken verdwenen.
Vreemd is dat ondanks al deze ellende zo veel Indiaanse volken zijn blijven bestaan. Het Incarijk in Peru wordt verwoest door Pizarro in het begin van de zestiende eeuw, maar de taal van de Inca’s, het Quechua, wordt nog altijd door zes miljoen mensen gesproken. In aantallen zijn er nu ongeveer evenveel Inca’s als op het moment dat de Spanjaarden voet aan wal zetten in Peru.
De Sioux van de Prairie verliezen uiteindelijk hun oorlog tegen de Verenigde Staten van Noord-Amerika maar er zijn er nog altijd zo’n vijftigduizend. De meesten spreken naast Engels hun eigen taal en velen combineren het christendom met hun eigen religie. En ook van de Sioux zijn er nu evenveel als tijdens de hoogtijdagen van hun samenleving in de periode 1830-1870. Het verschil met toen is dat zij weinig meer te zeggen hebben. De politieke macht ligt niet bij de Indianen, maar is in handen van de afstammelingen van de migranten uit Europa. 

Geschiedenis

Columbus

De eerste mensen trekken Amerika binnen over de Beringstraat. De Beringstraat is het stuk zee dat Alaska en Siberik van elkaar scheidt. Gedurende de ijstijd valt deze zeestraat droog en zijn mensen in staat vanuit Azik Amerika binnen te trekken. Zij bevolken in relatief korte tijd het hele continent. In het jaar duizend komen de Noormannen via Groenland in Amerika. Zij noemen de Indianen skraelings. De contacten tussen de Noormannen en de Indianen verlopen slecht en de Noormannen verdwijnen weer uit Amerika. Vijfhonderd jaar later, in 1492, ontdekt Columbus Amerika.

Columbus wil er achter komen of er een andere weg naar India mogelijk is dan de bestaande, vol gevaren, langs Kaap de Goede Hoop bij Afrika.
In Europa weten mensen al heel lang dat de aarde rond is. De Griek Eratosthenes heeft dit in de oudheid bewezen.
Columbus trekt daaruit de conclusie dat het niet alleen mogelijk moet zijn via het oosten maar ook via het westen naar India te gaan. Als hij in Amerika aankomt na een lange reis, denkt bij India gevonden te hebben. De mensen die in Amerika wonen geeft hij daarom de naam Indianen. Dat is zo gebleven, ook als men doorkrijgt dat Columbus niet in India is aangekomen, maar in een tot dan toe in Europa onbekend continent. Omdat Amerika voor de Europeanen een onbekend stuk van de wereld is, wordt Amerika ook wel de Nieuwe Wereld genoemd.

indiaan3Na de ontdekking van Amerika raken diverse Europese staten in oorlog met elkaar over de macht in Amerika. De strijd gaat vooral tussen Engelsen, Spanjaarden, Portugezen, Fransen en Nederlanders. Dit waren in de periode van de verovering van Amerika de machtigste landen van de wereld.

De Europese staten en de Indianen

Columbus bezet in dienst van de koning van Spanje op zijn tweede reis naar de West, Hispaniola, het tegenwoordige Haoti en de Dominicaanse Republiek. Vanuit hier trekken de Spanjaarden naar Mexico en Peru.

Mexico was de uitvalsbasis naar Noord-Amerika: Florida, Nieuw-Mexico en Californik. In 1540 bereikt Coronado de Pueblo-Indianen in Nieuw Mexico.
In 1535 onderzoekt Jacques Cartier in opdracht van Frankrijk de rivier St. Lawrence in het noordoosten van het huidige Canada. Hij vaart de rivier af tot aan Montreal. Vanaf 1550 storten de Fransen zich op de bonthandel in dit gebied.
De Engelsen vestigen zich permanent in het oosten van Noord-Amerika met de oprichting van Jamestown in 1607.

Daarna volgen nog Plymouth in 1620 en Charleston in 1669. Relatief laat wordt de noordwestkust van Noord-Amerika bezocht door James Cook in 1778. Van alle kanten vallen Europese volken Amerika binnen.
In eerste instantie is de ontmoeting van Indianen en Europeanen voor beide partijen gunstig. De Europeanen leren allerlei nieuwe gewassen kennen, de Indianen maken dankzij de komst van de Europeanen kennis met het paard, geweren en metaal. Deze zaken maken het leven voor velen makkelijker, vooral voor die Indiaanse volken die van de jacht leven.
Na de komst van Columbus in 1492 volgen steeds meer Spaanse ontdekkingsreizigers en gelukzoekers. Een belangrijke motivatie voor de trek naar Amerika is het verlangen van de Spanjaarden naar goud. Steeds als de Spanjaarden ergens voet aan wal zetten, vragen zij om goud.
Als er geen goud meer te vinden is, proberen zij erachter te komen of een volk verderop goud heeft. De Indianen vertellen verhaaltjes over steden met straten geplaveid met stenen van goud. Zo komt het verhaal in de wereld over de zeven steden van Cibola. Er wordt beweerd dat ze helemaal van goud zijn. De Spanjaarden trekken steeds verder naar het noorden. In 1540 bereikt Coronado het zuidwesten van Noord-Amerika, de plaats waar nu de staten Nieuw-Mexico en Texas liggen. Coronado vindt geen steden met muren en straten van zuiver goud.

Hij ontmoet de Indianen die in pueblo’s wonen. Pueblo is het Spaanse woord voor dorp. En hij ontdekt in Texas Indianen die onafzienbare kuddes bizons achterna trekken en die leven in tenten. Dezelfde tenten maar dan kleiner die de latere Prairie-Indianen ook bewonen. Die tenten worden naar een woord uit Lakota, de taal van de Sioux, tipi genoemd.

Omdat de Spanjaarden geen goud vinden ten noorden van Mexico stichten zij hier plantages. De naam voor deze plantages is encomiendas genoemd.
De Indianen in Californik vestigen zich massaal op deze plantages die beheerd worden door de katholieke missie.
Zij worden helemaal afhankelijk van de voorzieningen die hier aanwezig zijn. In de jaren dertig van de negentiende eeuw heffen de Spanjaarden deze missieplantages op en blijven de Indianen hulpeloos achter. Velen komen zo om het leven. Beter gaat het met de Indianen in het zuidwesten.
In 1680 komen zij in opstand tegen de Spanjaarden. Zij verdrijven de Spanjaarden die echter in 1700 terugkomen.
Velen vluchten naar de Hopi, Apache of Navaho. Deze volken blijven onafhankelijk van het Spaanse bestuur.

De Fransen richten zich op de bonthandel. De Indianen leveren het bont en de Fransen geven hen daarvoor metalen voorwerpen, kralen en vuurwapens. Beide partijen ruilen zaken die voor hen niet veel waarde hebben voor produkten waar zij op een andere manier niet aan kunnen komen. Maar de Fransen verdienen er het meeste aan.
De Fransen ontwikkelen een handelssysteem met vertegenwoordigers die in de dorpen van de Indianen in het binnenland wonen. Deze vertegenwoordigers worden voyageurs genoemd. Zij zorgen voor het vervoer van het bont over de grote meren naar de haven van St. Lawrence en voor de toevoer van goederen voor de Indianen. De meeste voyageurs trouwen met Indiaanse vrouwen. De Fransen bemoeien zich vrijwel niet met de levenswijze van de Indianen. Ook is hun doel niet zoals bij Nederlanders en Engelsen om grote groepen kolonisten naar Amerika te verplaatsen.

In de gebieden die door de Engelsen worden gekoloniseerd is geen goud en zij leveren weinig bont op. In plaats daarvan groeit er tabak. Een gewas dat in Europa tot op dat moment onbekend is. Eerst is het gebruik van tabak een modeverschijnsel. Maar de mode verandert in een gewoonte. Al gauw ontstaat er in Europa een blijvende vraag naar tabak. Handelsmaatschappijen stichten plantages. Migranten krijgen land aangeboden in ruil voor een vastgestelde periode die zij als contractarbeider op de tabaksplantages moeten werken. Voor de armen van Europa lijkt de Nieuwe Wereld een mogelijkheid te ontsnappen aan een uitzichtloos bestaan. Het werk op de plantages is hard, een derde tot de helft van de contractarbeiders sterft m de eerste maanden na hun aankomst in Amerika. Al snel vluchten contractarbeiders, zodra zij de kans krijgen, van de plantages en trekken de wildernis in. Indianen die als slaven op de tabaksplantages te werk worden gesteld, sterven aan ziektes of doden zichzelf en hun kinderen.
Indianen blijken in Noord-Amerika net zo ongeschikt voor slavenarbeid als in Midden- en Zuid-Amerika.

In 1607 stichten de Engelsen Jamestown in de huidige staat Virginia. Dit is de eerste Engelse nederzetting in Amerika. In het begin bestaat de Engelse kolonie uit een kleine groep mensen. De Indiaanse leider Powhattan zou hen in die eerste jaren makkelijk terug de zee in kunnen drijven. Hij doet dit niet, maar begint pas een oorlog als het te laat is. Zijn zoon probeert het nog in 1644 als hij meer dan negentig jaar oud is. Hij wordt gevangengenomen en zonder reden neergeschoten door zijn bewaker. Als hij halfdood op de grond ligt met om hem heen het geroezemoes van de Engelsen kijkt hij de gouverneur aan en zegt: “Had ik het geluk gehad de gouverneur van de Engelsen gevangen te nemen dan had ik hem niet zo, als een pronkstuk, voor mijn mensen tentoongesteld.”

In het noorden worden de Pequot-Indianen verpletterd tussen de Nederlanders die vanaf de Hudson naar het oosten trekken en de Engelsen die vanuit de staat Massachusetts naar het westen trekken. Bij de expeditie worden zeshonderd Pequot op een dag gedood. Zo zijn er diverse opstanden gedurende de eerste paar honderd jaar van de kolonisatie. Allemaal blijken ze uiteindelijk vruchteloos.

De Verenigde Staten van Noord-Amerika en de Indianen

Nadat de Amerikaanse kolonisten zich in 1776 onafhankelijk verklaren van het moederland, verliezen de Indianen de bescherming van Engeland. Een van de redenen voor de opstand is de onvrede van de kolonisten met de gewoonte van Engeland om de Indiaanse volken als onafhankelijke naties te beschouwen. Na de onafhankelijkheid streven de Verenigde Staten van Noord-Amerika naar landuitbreiding. Indiaanse volken die de kant van de Engelsen hebben gekozen, moeten hun land afstaan. Daarnaast nemen de Amerikanen de Indianen land af door verdragen niet ze te sluiten.

De Verenigde Staten van Noord-Amerika streven er naar om het gehele gebied vrij te maken van Indianen. Een van de meest schrijnende maar ook typerende voorbeelden is het verhaal van de Cherokee. Tijdens ‘de Amerikaanse bevrijdingsoorlog vechten de Cherokee aan de kant van de Engelsen. Zij vechten door tot 1794. Na de vrede doen de Cherokee er alles aan om die vrede te bewaren. Zij worden christen en geven toe aan elke eis om meer land af te staan. Toch komt de Amerikaanse president, Andrew Jackson, in 1828 tot een wet die alle Indianen in het oosten moet verplaatsen naar het gebied ten westen van de rivier de Mississippi, de ‘Indian Removal Act.’ De Cherokee doen van alles om de deportatie te voorkomen. Maar uiteindelijk, in 1838, worden de Cherokee door het Amerikaanse leger van hun land in Georgia verdreven.

Van de veertienduizend komen er vierduizend om het leven in wat door de Cherokee ‘de Tocht der Tranen’ wordt genoemd. Een aantal Cherokee weet te ontkomen aan de soldaten. Zij keren terug naar hun land. Zij verstoppen zich in de bergen en krijgen uiteindelijk een reservaat toegewezen waar ze nog altijd wonen.

Het verhaal van de Cherokee is het verhaal van alle Indiaanse volken ten oosten van de Mississippi. Vrijwel allemaal worden zij gedeporteerd. Zij komen terecht in een voor hen volledig onbekende omgeving waar zij slechts met veel moeite weten te overleven. Uiteindelijk wordt het nieuwe land in het westen van de Cherokee-natie opgedeeld in stukjes die worden verdeeld onder de families. Het land dat overblijft, wordt weggegeven aan Amerikaanse kolonisten.

Ten westen van de Mississippi liggen de uitgestrekte grasvlakten. Onder de naam Louisiana is dit gebied in handen van Frankrijk. De Franse voyageurs zijn de enige Europeanen die in dit gebied opereren. De stammen op de prairie zijn in constante concurrentie met elkaar om de toegang tot deze handelaren. Iedereen wil de felbegeerde Europese goederen voor zich alleen. Als handelaren erop betrapt worden dat zij naar een buurvolk gaan met hun spullen, dreigt beroving of anders doen de Indianen er alles aan om ze tegen te houden. In 1803 kopen de Verenigde Staten van Noord-Amerika Louisiana van Frankrijk. In 1805 krijgen Lewis en Clark van de Amerikaanse president de opdracht om deze gebieden in kaart te brengen. Tot 1845 blijven de gevolgen voor de Indianen beperkt. In dat jaar echter wordt Californik een deel van de Verenigde Staten van Noord- Amerika. De meeste kolonisten zien de Prairie als een woestenij waar niets te beginnen valt. Californik zien velen als het beloofde land.

Het klimaat is mild en er wordt goud gevonden. De Indianen in Californik bieden daarnaast vrijwel geen verzet tegen de kolonisten. Bijna alle Indiaanse volken in Californik zijn in de loop van enige tientallen jaren uitgestorven.

In 1868 winnen de Sioux samen met de Arapaho en de Cheyenne, onder leiding van de Oglala Rode Wolk, de oorlog tegen de Verenigde Staten die in 1865 begonnen is. De Sioux krijgen in bijna alles hun zin. Dit verdrag staat bekend als het verdrag van fort Laramie. In de jaren zeventig van de vorige eeuw trekken goudzoekers het gebied van de Sioux in. Om de conflicten tussen goudzoekers en Indianen tot een eind te brengen, stuurt de regering generaal Custer. In 1876 worden al zijn mannen door de Sioux, Arapaho en Cheyenne verslagen. Geen van de soldaten of Indiaanse verkenners van het regiment overleeft de slag. Deze slag bij de ‘Little Big Horn’ (de kleine grote rivier) is het laatste echte wapenfeit van de Amerikaanse Indianen. De Indiaanse leiders vluchten naar Canada (Zittende Stier) of worden vermoord (Gek Paard).

Onvoorstelbare hoeveelheden kolonisten trekken in de jaren veertig en het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw door de prairie . Deze trektocht naar het westen is het begin van een lange en bloedige oorlog tussen verschillende Indiaanse volken op de Prairie en de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Beide partijen hebben wisselend succes, maar op het eind winnen de Verenigde Staten. Waarschijnlijk als gevolg van verschillende oorzaken.


De belangrijkste is dat de bizon, het dier dat de Indianen van voedsel voorziet, rond 1880 bijna is uitgestorven. De bizon sterft uit door een combinatie van factoren. Bij het aanleggen van spoorlijnen van het oosten van Amerika naar het westen, schieten werknemers van de spoorwegmaatschappijen duizenden bizons dood, Als de spoorlijnen er eenmaal liggen, schieten de passagiers vanuit de trein op de bizons. Daarnaast schieten jagers bizons dood voor hun huid of voor hun tong. De tong van de bizon wordt door velen als een lekkernij gezien. Aan de jacht op bizons voor hun huid en tong doen ook Indianen mee. Zo kunnen zij door ruilhandel aan Europese goederen komen.


Een andere reden voor de ondergang van de Indianen van de vlakte is dat de Verenigde Staten steeds voor nieuwe soldaten kunnen zorgen. Maar de kosten van de oorlog lopen erg hoog op en de inwoners in de steden in het oosten zijn helemaal niet zo overtuigd van de zin van die oorlogen. 

http://www.sonja227.com/html/voorbeeldsite%20071003/indianen/indiaan2.html

Geplaatst in Robin Hood - Ivanhoe - Floris

Bestond Robin Hood echt?

 

GeschiedenisNet.be

“But we cannot forget who we are. Or where we come from.” (Keizer Meiji, film The Last Samurai, 2003)

 

Bestond Robin Hood echt?

eton_college_ms_213_f_234rEen recent ontdekte kroniek uit 1460 bevat een interessante passage waarin sprake is van Robin Hood, de beroemde held die stal van de rijken en gaf aan de armen, zoals de legende het wil. In tegenstelling tot deze legende suggereert de kroniekschrijver dat Robin Hood en zijn bende niet zo geliefd waren bij het volk. Het toont ons vooral het beeld dat de monniken hadden van deze vrijbuiters. Dit is de enige Engelse kroniek die Robin Hood echt ook vermeldt, naast drie Schotse kroniekschrijvers van wie men denkt dat ze het over Robin Hood hadden. Deze nieuwe kroniek plaatst Robin Hood historisch in de 13de eeuw gedurende de heerschappij van Edward I.

De vermelding in het Latijn is slechts 23 woorden lang en gaat als volgt:

Circa h[ec] temp[or]a vulg[us] opinat[ur] que[n]da[m] exlegatu[m] dict[um] Robyn hode cu[m] suis co[m]plicib[us] assiduis latrocinijs apud shirwode & alibi regios fideles Anglie infestasse.

Vertaling:

Rond deze tijd, volgens de volkse opinie, maakte een zekere vogelvrijverklaarde genaamd Robin Hood met zijn handlangers Sherwood en andere zich aan de wet houdende streken van Engeland onveilig met voortdurende berovingen.

Hoewel er in deze vermelding geen sprake is van Little John, spreekt ze wel over Robin Hood zijn handlangers. Bovendien blijkt hij niet alleen Sherwood maar ook andere regio’s van Engeland geteisterd te hebben. Deze kroniek levert voor het eerst bewijs voor een middeleeuwse connectie tussen Robin Hood en het bos van Nottinghamshire, waarmee hij in de legendes wordt in verband gebracht.

https://filiphooghe.wordpress.com/2009/10/29/bestond-robin-hood-echt/

Geplaatst in Castle Home Studio

Hartzeer

  • Na aanleiding van een mail die ik kreeg, van mijn goede vriend Nicky (uitgever van het fantastische muziek blad Gitaar Plus) , ben ik weer eens in mijn Archief CD-ROM aan het neuzen en lezen gegaan.

tascan-244Ook kwamen er weer dingen naar boven, waarvan ik dacht, waar is dat gebleven, of dat of dat. Mijn eerste gitaar in 1968, mijn eerste bandrecorder, mijn eerste 4 sporen cassette recorder (Tascam 244), mijn eerste computer (muziek programma) (Commedore 64), mijn eerste …… ik kan wel even door gaan.

In 1968 ben ik begonnen met het gitaar spelen, maar het is er nooit bij gebleven. Meerdere gitaren, opname apparatuur, tijdschriften (informatie enzo). In die tijd, en dan heb ik eind jaren 1970, begin jaren 19870, had je tijdschriften zoals Soundcheck, Multi Track. Dat waren tijdschriften die over muziek opname thuis gingen.

Die tijdschriften verdwenen in de loop de tijd. Gingen samen met o.a. Music Maker om ook daar in te verdwijnen. Er bleek geen belangstelling voor te bestaan, zei men. Dus was het uit proberen weer de boven toon. Gelukkig waren er genoeg professionals die dat thuis ook deden, dus haalde je daar je info wel vandaan. Maar een Pete Townshend, Richie Blackmore, Eric Clapton, is helemaal niet te vergelijken met mezelf. Dat zou ik niet eens durven.

Toen in half de jaren 80 van de vorige eeuw, mijn eerste 4 sporen multi track recorder kocht, was dat een rib uit mijn lijf. Ik moet er toen zo’, 3200 gulden. Een hoop geld, ook toen en er moest genoeg gepraat worden thuis om hem te kunnen kopen.

Toen ik naar die winkel ging om informatie en hem te kopen, was ik eigenlijk de eerste in de omgeving van Bergen op Zoom die hem wilde kopen. Dus veel wisten ze er niet van en het koste me wel tijd eer ik hem thuis had staan. Ik ben Ad Landa, uit die tijd nog steeds erg dankbaar voor de informatie die hij mij toen gaf.

Nu was het een geweldig apparaat, maar in vergelijk met nu, een prul ding met eigenlijk geen mogelijkheden. En dan voor een prijs, tegenwoordig dan, van een 400 euro, of zoiets.

Tascam 244 – 3200 gulden in die tijd, halve jaren 80 van de vorige eeuw.

085-drum-computers_html_m3195c2c4Hoe het begon met een zwart effecten boxje (echo) en later de effecten van Boss. De serie RBF10 – RVV 10 en de RPS 10. Met mijn eerste microfoon, waarvan ik de naam helemaal niet meer weet maar later de AKG D310 microfoon gebruikte. Ook mijn eerste drum computer, de DR 220-E. Van Boss.

effecten-in-de-studio_html_4832f67dOf mijn eerste bandrecorder. En mono Philips band recorder. Eigenlijk moet ik zeggen, de bandrecorder die ik leende van mijn vader en later de Philips EL 3561 kreeg. Mijn eerste orgel, de Yamaha BK-4-US

En dan de hoeveel heid aan gitaren. Ik zeg wel eens, als ik ze allemaal had bewaard zou ik ik er zeker 45 gehad hebben. Nu kom ik nog steeds aan de 25 exemplaren. Ik kan er wel niet meer op spelen, maar toch……. Verschillen gitaar versterkers van de merken van o.a. Fender en Session.

Maar ik denk dat het wel een hele tijd zal duren eer ik een goed artikel zou kunnen schrijven van wat hoe ik begon, wat ik had en wat ik nu nog steeds heb. Bovendien is deze weblog daar helemaal niet geschikt voor.

Dus we houden het hier maar mee. En wie wat op schrijft en wat bewaard, heeft wat.

Geplaatst in Middeleeuwen

Kelten

 

Kelten hebben me op een of andere manier altijd wel aan gesproken. Ik draag zelfs een hangertje, wat een Keltische/reïncarnatie symbool is. Op zondag 18 september 2016 was er op de Belgische TV zender Canvas een documentaire. Na aan leiding van die uit zending heb ik me wat dieper in deze materie gedoken. – Note Con

Met Kelten wordt een verzameling volkeren en stammen aangeduid die gedurende het millennium vóór het begin van onze jaartelling en de eeuwen daarna een Keltische taal spraken. Het is dus primair een linguïstisch begrip.

keltenEen Kelt was een spreker van een Keltische taal.
Hun voorouders verspreidden zich vanuit een kerngebied in
Centraal-Europa zowel in westelijke als oostelijke richting. Rond het begin van onze jaartelling bevolkten Keltische stammen de Britse Eilanden, Gallië, het Iberisch Schiereiland en delen van Midden-Europa en de Balkan. De Keltische talen behoren tot de Indo-Europese taalfamilie.

Kenmerkende elkaar opvolgende Keltische culturen zijn de Hallstatt-cultuur, de La Tène-periode gevolgd door de Gallo-Romeinse periode en ten slotte de periode van de Keltische naties tot op heden, zoals aangegeven op het kaartje hiernaast.

Naamherkomst

Zie Namen voor de Kelten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De volkeren die nu collectief benoemd worden als ‘de Kelten’ werden in klassieke bronnen ook aangeduid als ‘Galli’ (Romeinse historici) of ‘Galatae’ (Griekse bronnen en Polybius). Deze benamingen werden door schrijvers uit de 1e eeuw v.Chr. gezien als synoniemen voor het Griekse ‘Keltoi’ en het Latijnse ‘Celtae’. Zo schreef Julius Caesar over de inwoners van Gallië: “Wij noemen hen Galliërs, maar in hun eigen taal noemen zij zichzelf Kelten.” (Qui ipsorum lingua Celtae, nostra Galli appellantur).

De naam ‘Kelt’ is in veel geografische en andere namen terug te vinden, hoewel niet altijd even herkenbaar. Meest waarschijnlijk is de naamgeving afkomstig van de Griekse historici Hecataeus van Milete en Herodotus uit de 5e eeuw v.Chr.; zij noemden het volk dat aan de La Tène-cultuur was verbonden, en met wie zij handel dreven, Keltoi. Dit werd later overgenomen door de Romeinen.

Geschiedenis

De Kelten, een oud Indo-Europees volk, bereikten het hoogtepunt van hun gebiedsuitbreiding in de 4e eeuw v.Chr., toen ze hun invloed lieten gelden in heel Europa, van Groot-Brittannië tot Klein-Azië.

Oorsprong en verspreiding

Verspreiding Kelten over Europa
1: Oorsprongsgebied ten noorden van de
Alpen
L: 
La Tène


H: 
Hallstatt
2: Grootste verspreiding in ongeveer 
400 v.Chr.
B: Britse eilanden
G: 
Galatië in Klein-Azië
I: Iberisch schiereiland

Keltische opgravingen in Galicië

Verdeling van Gallië tijdens de verovering door Julius Caesar rond 54 v.Chr.

Een Keltische godentriade

Belangrijke opgravingen uit het oorsprongsgebied van de Kelten (zuidelijk Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en oost-Frankrijk) werden in de 19e eeuw gedaan in La Tène en Hallstatt. Vanaf ongeveer de 6e eeuw v.Chr. trokken zij in noordwestelijke richting, tot zij rond 400 v.Chr. het grootste deel van West-Europa bewoonden, inclusief Britannia. Waarschijnlijk gingen de niet-Indo-Europese volkeren die ze tegenkwamen na verloop van een paar generaties in de Kelten op.

Hoogtepunt van de Keltische macht

In 335 v.Chr. trok volgen Strabo en Arrianus een groep Keltische afgezanten naar Alexander de Grote ergens nabij de Donau waar hij de Balkanstammen bezocht. Ze werden er vriendelijk door hem ontvangen. Maar in de tweede helft van de 4e eeuw v.Chr. vertrokken ook Keltische krijgers vanuit het bassin van de Karpaten en volgden de Donauvallei zuidwaarts. Archeologische vondsten in Pannonië zoals rijke krijgersgraven nabij Kostalac (Pecine), daterend uit het eind van die eeuw, bevestigen dit. Tegen het begin van de 3e eeuw v.Chr. trokken de Kelten op veldtocht door Macedonië en Griekenland.

Zij plunderden Delphi in 279 v.Chr., maar leden daar een nederlaag. Hun krijgers verspreidden zich vervolgens. Een deel van hen trok naar Asia Minor en dat werden de Galaten, een ander deel trok naar Thracië en een derde deel keerde langs de Donau terug onder leiding van Bathanatos en vestigde zich aan de samenvloeiing van deze rivier met de Sava ten oosten van Sirmium. Dit waren de Scordisci. In de 4de en 3de eeuw voor Chr. bezetten de Kelten ook Noord-Italië en de gebieden van de Etrusken en bedreigden zelfs de toen nog kleine Romeinse Republiek. Een Keltische stam onder leiding van Brennus bezette de stad Rome en was slechts bereid te vertrekken nadat de Romeinen een grote afkoopsom aan hem betaald hadden.

 Assimilatie van de Kelten

Vanaf 100 v.Chr. waren de rollen omgedraaid en veroverden op hun beurt de Romeinen – die hun imperium aan het uitbreiden waren – de meeste Keltische gebieden in Europa behalve delen in tegenwoordig Ierland en Schotland. Veel Kelten werden uitgemoord, anderen werden geromaniseerd. Op die manier verdwenen de Keltische taal en cultuur binnen een paar generaties binnen het Romeinse Rijk. Alleen in afgelegen streken op het minder dichtbevolkte platteland wist de Keltische identiteit zich langer te handhaven. In Gallië ontstond een Gallo-Romeinse mengcultuur.

 Cultuur

De Kelten hebben nooit een politieke eenheid gevormd. Integendeel: ze bestonden uit verschillende stammen die elkaar vaak juist bestreden. Die verdeeldheid kwam Julius Caesar goed uit bij zijn verovering van Gallia. Het is ook niet duidelijk of de Kelten zichzelf Kelt noemden, want dat is de naam die de Grieken hen gaven. Het komt van het Griekse woord ‘Keltoi’ wat ‘Barbaar’ betekent. De Romeinen noemden hen Galli.(In De Bello Gallico beschrijft Caesar dat ze in hun eigen taal Celtae, en in de Romeinse taal Galli worden genoemd.) De Kelten maakten vaak gebruik van reeds van voor hun opkomst daterendemegalithische bouwwerken om er hun eigen rituelen uit te voeren (bijvoorbeeld in de steenkringen in Carnac, Frankrijk en in Stonehenge in Wiltshire, Verenigd Koninkrijk). Daarnaast hadden ze ook heilige bomen, waterbronnen en andere natuurlijke plaatsen die een rol speelden in hun religie.

 Keltische feestdagen

halloween_pompoenHet religieuze jaar was in vieren verdeeld door telkens een belangrijke overgangsdag, waarop werd feestgevierd, meestal meerdere dagen. Deze speelden een rol in de Keltische mythologie:Samhain of Halloween: de vooravond van 31 oktober, als einde van het jaar en begin van het nieuwe.

Imbolc: de vooravond van 1 februari, gewijd aan de vruchtbaarheidsgodin Brigit.

Beltain: de vooravond van 1 mei, ter ere van de god van leven en dood Bel

Lugnasa of Lughnasadh: de vooravond van 1 augustus, voor de zonnegod Lugh en de viering van de oogst.

Krijgers

Volgens verslagen van Romeinse schrijvers waren de Kelten zeer krijgshaftig: ze streden dikwijls naakt met hun haren met kalk en leem opgestijfd tot een soort ‘punkkapsel’. Vaak werkten de strijders zich op tot een staat van razernij/extasewaardoor ze in de strijd geen vermoeidheid of angst meer voelden en doorgingen tot ze overwonnen of sneuvelden. Ook bij de Germanen werden deze ‘berserkers‘ door de Romeinen waargenomen. Hun uiterlijk wordt beschreven als over het algemeen grote gespierde kerels, roodharig of blond met hangsnorren en vaak tatoeages op hun lichaam. Bij de strijd verfden ze hun lichamen met “oorlogskleuren”.

Kelten in de Lage Landen

Keltische woorden in het Nederlands

Hoewel het Nederlands grotendeels op het Germaans is terug te voeren zijn er nog wel een paar Keltische woorden in aan te treffen, bijvoorbeeld ambt, ambacht, kar en gijzel-. Ook de namen van metalen zoals ijzer en lood zijn waarschijnlijk op de Kelten -die als smeden beroemd waren- terug te voeren. Ook duin, lei(steen), bok, eed, erf(genaam) enkade. Een budget was oorspronkelijk een ‘zak’. Plaatsnamen op -ik, -rijk (Doornik, Kortrijk, Kamerijk) komen van Keltisch -acum en hetzelfde geldt voor -dunum als in Lugdunum (Fort van Lugh). Ook woorden als broek (uit bracca; de Romeinen spraken spottend over Gallia bracata), mouton en Ardennen (godin Arduenna) zijn van Keltische oorsprong. Via het Frans kwamen ook woorden als baret, bek, broche, bruusk, changeren, crème, graveel, lans, mijn (als ertsader), saai, tronie (alle uit het Gallisch). Uit het Bretons erfden we woorden als: menhir, bijou, dolmen (letterlijk ‘tafelsteen’), harnas.

Uit het Schots Gaelisch komen woorden als klok, clan, cairn (steenstapel), plaid, slogan (letterlijk: ‘oorlogskreet’). Uit het Iers: brogue (schoentype), whiskey, uit het Welsh: corgi (lett. ‘dwerghond’), cromlech (lett. ‘kromme steen’), flanel pinguïn (lett. ‘witkop’).

Volgens de Belgische taalkundige Maurits Gysseling zou in de Lage Landen oorspronkelijk een aparte Indo-Europese taal zijn gesproken, die hij ‘Belgisch‘ noemde. Namen van steden als Doornik, Namen, Dinant, Luik en ook Ardennen zouden echter Keltisch zijn. Er zou ook een aristocratie vanuit Duitsland zijn geleverd, wat tot een zekere germanisering leidde.

Geplaatst in Films / DVD / Blu-Ray

The Mummy

 

Tweedehands gekocht. Niet mis mee. Althans ………

002Thuis gekomen probeerde ik hem op de DVD. Niet dus. Ik dacht nog, een CD-ROM of zo. Nog eens gekeken. Nee het was een DVD. Ik hem op de PC afgekeken. Kwam ik er achter dat het een totaal ander systeem was, ik moest iets veranderen op mijn PC DVD speler, maar daarna kon ik hem zien.

Een film dat zich afspeelt in de Egyptische sferen. Het is beslist geen film die je moet zien vlak voor het slapen gaan. Want ik sta niet in voor de nachtmerrie die je dan krijg.

Nu is het een film die ik in mij PC kamer, voorheen mijn muziek studio, moet zien op de PC. Het is niet mijn grootste liefhebberij. Maar in een paar keer kijken, krijg ik wel een aardig beeld.

the-mummyNee, het is beslist geen slecht film. Misschien een beetje eng ……. wie zal het zeggen. Jij vind van niet, ach ik vind van wel.

En het vrouwelijk schoon is ook wel mooi voor me. Wat kom ik toch goedd, als je maar alleen ben.

Geen spijt van. Alleen of ik deze meer zal bekijken …….. ik denk het niet, moet ik weer achter mijn computer zitten. Nu heb ik hem gekocht om hem op DVD af te kunnen kijken. Binnen op de bank hangen.

Geplaatst in Wat me bezig hou

Oranje Wortelen (groente)

 

De wortel die als groente gekweekt wordt is botanisch dezelfde soort als wilde peen, Daucus carota. Deze kruist zeer gemakkelijk met de eetbare wortel, waardoor er zo nu en dan een witte wortel tussen de gekweekte wortelen kan voorkomen. Wortels zijn rijk aan bètacaroteen, dat in het lichaam wordt omgezet in vitamine A.

 Wortelteelt in Nederland

wortrlenDe huidige oranje wortel is het resultaat van kruisingen. De eerste wortels kwamen uit Iran (en wij maar denken dat we Nederlands eten – Hahaha – Note Con) en werden door de V.O.C. in de 17e eeuwnaar Nederland overgebracht. De wortel werd in Nederland gekruist totdat deze de oranjekleur van het Huis Oranje-Nassau had.De wortel dankt dus mogelijk zijn huidige kleur aan de ‘Oranjes’. De oranje wortel werd pas in de 17e eeuw over de rest van Europa verspreid. Over de kleur van de wortel zijn echter meerdere hypoteses.

De wortel is een heel dankbare groente om in de tuin of in bakken op het balkon te verbouwen. De wortel kan al in januari worden gezaaid. Bij te vroeg zaaien kan echter in hetzelfde jaar nog bloei optreden. Ze beginnen dus al vrij vroeg in het seizoen te groeien en al relatief snel kan men er elke dag een paar van uittrekken om rauw op te eten. En hoe meer men het veldje uitdunt, hoe beter de anderen zullen groeien.

Beroepsmatig wordt ongeveer 7.000 hectare peen geteeld. Om het zaad, dat eigenlijk een vrucht is, goed te kunnen verzaaien moet het worden gewreven, omdat er aan het zaad kleine haakjes zitten. Door het machinaal wrijven breken de haakjes af en wordt glad zaad verkregen. Het zaad van wilde peen blijft in de vacht van langs lopende dieren hangen en kan zo over grote afstanden worden verspreid.

Bij de teeltwijze kan onderscheid worden gemaakt in bedekte vroege, onbedekte vroege, zomer- en herfstteelt en onderdekkersteelt. De onderdekkersteelt wordt ter bescherming tegen de vorst gedurende de wintermaanden afgedekt met plastic folie en stro. Deze peen wordt na de winter tot in mei geoogst.

Ziekten en plagen

Aantasting door wortelvlieg (Chamaepsila rosae) is één van de grootste plagen. Op kleine schaal kan worden gebruikgemaakt van fijnmazige netten om het vliegje bij de planten weg te houden. In de biologische teelt wordt ook een grote afstand tot het volgende aan te leggen veld aangehouden. Bij onvoldoende vruchtwisseling kunnen oo kaaltjes een probleem zijn. Er zijn meerdere aaltjes die schade kunnen veroorzaken in peen. Om schade te voorkomen of te beheersen is het belangrijk om te weten welke aaltjes voorkomen in de grond. Nematodenonderzoek kan uitkomst bieden. Er bestaan verschillende maatregelen om aaltjes te bestrijden of te onderdrukken. Wortellesieaaltjes (Pratylenchus) kunnen bijvoorbeeld, effectief worden bestreden door het telen van Afrikaantje (Tagetes patula). Andere soorten aaltjes vragen andere maatregelen.

Belangrijke schimmelziekten zijn loofverbruining (Alternaria dauci), zwarte-plekkenziekte (Alternaria radicina), violet wortelrot (Helicobasidium brebissonii) en een meeldauw(Erysiphe heraclei).

Op zandgrond kunnen van de aaltjes het maiswortelknobbelaaltje Meloidogyne chitwoodi en het bedrieglijk maiswortelknobbelaaltje Meloidogyne fallax optreden.

Geplaatst in Films / DVD / Blu-Ray

The Merchant Of Venice

 

Laat ik voorop stellen dat het een uitstekende film is. Maar of deze met de middeleeuwen te maken heeft?

machacentGezien, dat hij afspeelt in de 16de eeuw, zou je zeggen van wel. Maar zwaard gevechten komen er niet in voor. Maar waar gaat die film dan over?

Antonio heeft geld geleend van de wrede Shylock, gespeeld door Al Pacino. Die Shylock leent dat geld zonder rente. Mooi zou je zeggen. Maar niet is minder waar.

Al;s hij het niet terug betaald, moet hij een pond van zijn vlees staan.

Over luguber gesproken.

Maar Antonio kan het niet terug betalen en het noodlot slaat toe. Hij krijg echter hulp uit onverwachte hoek……

Nu is het een beetje een trage film. Maar om heel eerlijk te zijn, films waar Al Pacino in speelt vind is meestal nogal aan de trage kant. Dus wat dat betreft, niets nieuws voor.

Het gaat ook over de haat van de Joden in het Venetië van de 16 eeuw. De beelden zijn prachtig omdat jij toch wel een goed beeld krijg van de bruggen, gebouwen, kleding enz. van Venetië . Dus is het goed.

Geplaatst in Films / DVD / Blu-Ray

Dawn Of The Dragonslayer

Deel 1 en 2

De eerste die ik binnen kreeg (op 14 september 2016) was Paladin: Dawn Of The Dragonslayer.

drawn-of-the-dragonslayer-3Toen ik hem bestelde, of beter gezegd, toen men het voor dat deed, had ik eigenlijk geen idee wat ik moest verwachten. Ik zal een trailer als extra op een een van mijn DVD. Leek me wel aardig. Op de trailer leken ze allebei wel goed, aardig. Dus dat werd afwachten

En zoals altijd, kom eerste het tweede deel. En dan moet je eigenlijk wachten tot deel 1 er ook is en dan pas kijken.

Maar nu weet ik niet hoe het met U is, maar ik kan dat gewoon niet. Dus we beginnen maar bij deel 2: The Paladin.

The Paladin is een hele goede film. Hoewel hij een beetje traag is, en de verwachten vliegende draken pas op het einde van de film komt.

De aankleding is voor mij weer geweldig. Niet alleen de kleding, maar ook de interieurs van de kastelen en of woon ruimte.

De trailer van Paladin

De trailer van Paladin

Het eerste deel kwam een paar dagen later. Op 17 september. Maar dan moet ik iedereen teleur stellen. Het blijken twee dezelfde films te zijn. Dus heb je er niet zo veel aan.

 

Wat mij wel opval is de leeftijd grens. Deel 1 is vanaf 12 jaar en deel 2 is vanaf 16 jaar. Dat kan niet volgens mij. Hoe kunnen twee dezelfde film, twee verschillende leeftijd grens hebben?

Het is een geweldige leuke film, maar om hem nu twee keer te hebben, onder een andere naam, gaat me ook nogal een beetje te ver. Zelfs voor die lage prijs. Had voor dat geld beter iets anders kunnen kopen. Maar ja …….

Geplaatst in Gitaar Plus 2016

Gitaar Plus 8

Nummer 8, oktober 2016

Dat muziek winkels het heel moeilijk hebben in deze tijd mag duidelijk zijn. Hoe vaak je een bericht lees, dat er weer een winkel moet sluiten of daar er door bezuinigen winkels samen gaan, website/shop samen gaan?

001In Actueel van de nieuwe Gitaar Plus 8, is weer te lezen dat er na 36 jaar De Staar ermee stopt. De rede wordt niet gegeven, maar het zet je wel aan het denken. Maar gelukkig staat er ook goed nieuws in Actueel.

En dan is er Hebbeklingeltjes weer. Helaas voor mij, veel te korte rubriek, maar wat er instaat, is altijd weer interessant om te lezen.

Dat er artikelen in Gitaar Plus staan, die men ook geweldig in boek zou kunnen uit brengen, is door de lezer wel bekend. Ik vertel ar beslist niet nieuws mee. Een van die rubrieken waarvan men de artikelen in boekvorm kan uit brengen is De Klassiekers.

Deze keer staat de mooie en geweldige gitaar Levin Model 2 Solist er in. Het serie nummer 132 301 en het bouwjaar is 1942. De schrijver van deze serie is Nicky Moeken. Hij mag wel eens in het zonnetje gezet worden. Want de ware gitaar liefhebber smult er iedere keer weer.

002Voor mij is deze rubriek altijd het eerste wat ik bekijkt en lees, als de gitaar Plus in brievenbus valt. Maar deze keer moet hij die eer eigenlijk delen met het artikel van Ruben Hoeke.

Een ander apparaat wat mijn aandacht trek is van het merk Boss. De GT-001. Jammer voor mij, dat Boss niet jaren eerder met dit gitaar effect op de markt kwam. Vroeger (een jaar of 5 geleden) had ik zelf een opname studio. Door een ongeluk van mij, kan ik zo goed als geen gitaar meer spelen. En opnemen is er helemaal niet meer bij. Iets wat nooit wendt voor me.

The Boss GT-001


Maar er zijn ook weer volop gitaren. Zoals de Strandberg, The Loar LH306T, de W(ee)L(owden)-35 FF, de Jerry Foskett 12-snarig, de Garey E. Levinson LS-33 en de Squier Mikey Way Mustang basgitaar.

Versterkers zoals de Marshall Code 50 en natuurlijk de vaste rubrieken zoals Akkerpunctuur, Correspondentie en TweedeKansje.

Daarnaast een interview met Ruben Hoeke en Sari Schorr & The Engine Room.

Sari Schorr & The Engine Room met Rock “n Roll


En, zoals altijd, zal ik wel weer een hoop van de inhoud vergeten zijn. Maar er staat altijd zoveel in, dat je die moet kopen of een abonnee moet nemen. Dus dan een e-mailtje naar gitaarplus@me.com of een telefoontje naar 020-6372274 en als je nog ouderwets een kaartje wilt sturen, dat kan ook naar Hobbies Media BV, Klaprozenweg 86, 1032 KX Amsterdam.

Foto’s copyright by Gitaar Plus, 2016.

Geplaatst in King Arthur

The story of the grail

the-new-cre-logo

By Stefan Beck

Reviews of The Buried Giant, by Kazuo Ishiguro; John the Pupil, by David Flusfeder; Know Your Beholder, by Adam Rapp & Notes from a Dead House, by Fyodor Dostoevsky.

Of all the jewels lying dusty in the barrow of Western literature, few are quite so inexplicably neglected as Arthurian romance.

800px-holy-grail-round-table-bnf-ms_fr-116f-f610v-15th-detailI don’t mean that King Arthur, the Knights of the Round Table, and Merlin have been forgotten; I assume that children still watch Walt Disney’s 1963 The Sword and the Stone, that teen nerds still cackle atMonty Python and the Holy Grail (1975), and that Sir Gawain and the Green Knight is still required by at least a smattering of English departments. But where, outside of a Medieval Studies program, is anyone reading Chrétien de Troyes’s Perceval, le Conte du Graal, the anonymous Queste del Saint Graal, Wolfram von Eschenbach’sParzival, or even Sir Thomas Malory’s Le Morte d’Arthur? And what accounts for this indifference, when popular culture has gotten such reliable mileage from Arthur-influenced productions like The Lord of the RingsThe Hobbit, and Game of Thrones?

Granted, these are by no means breezy reads; I will ruffle some dyspeptic medievalist’s feathers, no doubt, by pronouncing Parzivalutterly unreadable. But most of these works are rewarding, both for the luxurious strangeness of the world they depict and for the insight they give into the spiritual intensity of their composers. A more recent take on the Arthurian legend, Kazuo Ishiguro’s new novel, The Buried Giant, offers the same strangeness, and a deeply humane examination of loss, memory, and truth—which is spiritual in its own right.1Though the book may renew interest in Arthurian literature, it is very much a stand-alone work, demanding little familiarity with its precedents. In a superficial sense, it is a fantasy novel, but it is, more to the point, an Ishiguro novel.

What that means will be readily apparent to Ishiguro’s devotees. For one thing, he always surprises, even when he is revisiting his well-established preoccupations. He is best known among American readers for a novel about the inner life of a comically conscientious and repressed butler: 1989’s Booker-winning The Remains of the Day.His 2005 novel Never Let Me Go is superficially a work of science fiction about clones who are raised so that their organs may be harvested. What The Buried Giant has in common with these books is that it repurposes an existing genre to serve Ishiguro’s thematic ends. His prose, precise and unadorned, leaves a clear enough path to his meaning—in this case, that memory is both precious and perilous.

The principals of the quest in The Buried Giant are Axl and Beatrice, an elderly couple departing their village in search of an adult son they only dimly remember. They believe that he is in a neighboring village, perhaps only a brief journey away, but it becomes increasingly apparent that they have no idea where he is; the reader is given to wonder whether he exists at all. “[I]n this community the past was rarely discussed,” the narrator notes. “t had somehow faded into a mist as dense as that which hung over the marshes. It simply did not occur to these villagers to think about the past—even the recent one.” Here, the “recent” past is the time just before the book’s sixth-century setting, during which a precarious and almost unaccountable peace exists between Britons, like Axl and Beatrice, and Saxon settlers—that is, invaders.

This is, of course, a real historical moment, but the novel’s trappings are anything but realistic. Ogres (“not so bad provided one did not provoke them”), pixies, a monster standing guard over a subterranean crypt, and a dragon named Querig—points off for evoking the popular coffee machine—stalk these pages. The noxious Querig’s survival, it turns out, is causing the collective amnesia hanging heavy o’er the “bleak moorland.” On their journey, Axl and Beatrice meet a Saxon knight named Wistan, whose young charge Edwin seems to possess an uncanny connection to the dragon, and an elderly Briton ycleped Sir Gawain. Which of these pilgrims might bring about Querig’s demise?

The complicating factor in The Buried Giant is that there are distinct pros and cons to slaying the dragon. Beatrice and Axl seek the restoration of their memories not only so that they might find their son but also because a mysterious boatman—no prizes for guessing his true identity—will ferry them as a pair to the farther shore only if they can deliver compatible accounts of their happiest times together. Yet their everlasting happiness would come at a cost to their countrymen: amnesia is the only thing holding back the tidal wave of bloodshed that would assemble itself should the Britons and Saxons remember their brutal past with one another. In this way Ishiguro establishes a tension between the pursuit of truth and the alluring pleasures of lotus-eating forgetfulness.

The Buried Giant invites a serious complaint. Ishiguro’s characteristic flatness of tone, which worked to such moving effect in The Remains of the Day, serves the narrative portion of The Buried Giant well enough, archaizing it without stooping to a lot of “hear ye, hear ye” nonsense. Yet it renders the novel’s dialogue self-parodically stiff. The call and response of Axl and Beatrice’s interactions—Husband? Yes, Princess?can become so tedious that the interactions of secondary characters are thrilling by comparison.

Another problem with The Buried Giant is that if one values truth—if one despises the concept of “narrative,” which suggests that there are larger and more valuable ends to be served than a reckoning with what actually happenedthen the novel’s tension is vastly less provocative. If an accurate historical memory is the greatest good, then this tale becomes little more than a straightforward quest: kill the dragon and the prize is not a hoard of Anglo-Saxon gold and silver but rather truth itself. Does this not diminish the novel’s potency, its complexity? Does this not make it a rather mechanical A to B fairy tale?

It doesn’t. The Buried Giant is an allegory with a weighty and pointed message. When we at last encounter Querig, the dragon is an etiolated and pitiful creature, more like some overgrown fruit bat than, say, the fearsome “wyrm” of Beowulf. This is Ishiguro’s chosen symbol of our cowardly impulse to do away with the past, or to avoid confrontation with unpleasant truths. Our actual past, our most uncomfortable and challenging truths, are probably more frightening than we know, but they are nevertheless the proper object of our collective quest.

There is something in the nature of a quest narrative, its clarity of motivation and desired endpoint, that must be liberating for a writer, the way it is liberating for a poet to work within the constraints of a given form. The structure is plain, but beyond that the opportunities for imagination, embroidery, and surprise are limitless.

So it is with David Flusfeder’s John the Pupil, which traces a trek in a time, if not quite so distant from our own as the sixth century, distant enough to be entirely alien.2 It is 1267. The Franciscan friar and polymath Roger Bacon has contrived an excuse for one of his students to convey highly sensitive materials to Pope Clement IV. On this difficult journey young John will have just two companions to help him negotiate a vertiginous array of novel and sometimes terrifying experiences. As the book’s epigraph from Ecclesiasticus 39:5 has it, “He shall pass into strange countries: for he shall try good and evil among men.”

To impart his tale with verisimilitude, Flusfeder employs an amusing academic framing device that would do Borges proud. A “Note on the Text,” by the editor and translator of The Chronicle of John the Pupil, begins, “A few remarks should be made here about the history of this unique manuscript. I quote from Augustus Jessopp’s lecture ‘Village Life Six Hundred Years Ago,’ first delivered to a notoriously uninterested audience in the Public Reading Room of the village of Tittleshall in Norfolk.” It is within this lecture—which, along with Augustus Jessopp and “Tittleshall,” is, incredibly, realthat our editor purports to locate the first mention of John the Pupil’s fragmentary account.

The chronicle begins with a description of instruction under Master Roger: “And we read Qusta ibn Luqa on the Difference between Soul and Spirit and Averroes on geometry, and the antique authors of Rome: Seneca on the passions, Ovid on the transformations.” He “beats correction into [John’s] head.” Gradually the reader gathers that Bacon is a prisoner of the friary, suspected—correctly—of “novelties, which is an accusation hardly short of heresy.” And so John and his companions, Brother Bernard and Brother Andrew, are framed for a trivial infraction so that they might be sent by Bacon from Oxford to the papal court in Viterbo on a penitential mission. Their secret aim is the delivery of Bacon’s Opus Majus and some models of Bacon’s optical and military inventions.

Having read this far, one could be forgiven for expecting a stale narrative of “persecuted rationalists vs. medieval superstition,” in theHis Dark Materials vein. But Flusfeder is up to nothing so blunt or predictable. His Bacon is no heretic: “He disapproves of anyone who . . . takes no pains to celebrate the glory of creation by gathering knowledge to gain a closer apprehension of God’s work.” And Brother John is devout. Many of his daily entries begin with a hagiography of whichever saint’s feast it is, after the fashion of another regrettably forgotten work, Jacobus de Voragine’s Legenda Aurea. (These sections, in fact, showcase a command of “timeless” language far superior to what one finds in Ishiguro’s novel.) But he is beset by temptations and tested by what he sees in a wider world with which he is wholly unfamiliar.

John’s companions are lightly sketched. Massive Brother Bernard, forever knocking over and tossing aside the band’s enemies—soldiers, highwaymen, and schemers—recalls the squire Jöns from The Seventh Seal (1957). “Beautiful” Brother Andrew, ever “cheerful, pure” in the face of any hardship, is even more of a cipher. The three meet sexual temptation, are driven away by hostile villagers, and are accused of being thieves or demons. They get lost, suffer sickness, endure hunger: “We are not sure if today is a Friday or a Saturday, but we fast anyway, although we have no choice because we do not have any food.” There will be, along the way, a martyrdom as gruesome as anything in the annals of de Voragine.

Flusfeder’s prose is superb. His facility with a certain medieval tone, that archaic yet vibrant quality of a great work newly translated, suggests a writer who has steeped himself in his source materials. There isn’t a single anachronistic or otherwise false note in the book (and ferreting those out is half the fun of reading historical fiction). There is humor that is only accessible from a modern vantage point, but it lands, because who hasn’t encountered a gem of unintentional comedy in an old work?

They had thrown stones at us, and we had suffered bruises and cuts and it was a miracle of God’s grace that we escaped heavier injury. . . . Brother Bernard said that it was because they thought we were monks, like the Cistercians who preach chastity and practise incontinent concupiscence, but those were not the actual words he spoke: the epithets he used were borrowed from the tavern rather than church and he would not answer where he had found the words.

A very subtle humor pervades John the Pupil, which points up the absurdity of its strange, violent, benighted, but numinously energized world. It is capped off by endnotes both comic (“It is unclear whether the omitted words here are due to a break in the manuscript or to the modesty of John”) and illuminating. They warn the reader against viewing the past through the lens of modernity and illustrate the diabolical difficulty of communication—between past and present, superstition and modernity, us and themthat is itself allegorized by the long journey between Oxford and Viterbo. John the Pupil is a slim and unassuming book, but it is also one gravid with wisdom.

Were we must take leave of our medieval brethren and sally forth hundreds of years into our own era, where the Pulitzer Prize finalist Adam Rapp has set his new novel Know Your Beholder. The book owes an enormous debt to John Kennedy Toole’sConfederacy of Dunces (1980) and its Boethius-loving protagonist, Ignatius J. Reilly. It boasts its own Arthurian “Chapel Perilous” in the form of the attic bedroom where its antihero, the lovesick and agoraphobic and grotesquely bearded landlord Francis Falbo will either cure his existential despair or go stark raving mad. But Falbo’s quest is entirely in his own mind. The Holy Grail at the end of his Last Crusade is a relatively mundane one: getting over his ex-wife.

Know Your Beholder is one of the riskiest books of this season, not because its premise is unusual but because it is so painfully clichéd. A young man—a privileged straight white man, in the parlance of our times—is depressed because a woman has abandoned him for refusing to grow up. He reacts by becoming housebound and letting himself go to seed. He grows, or rather doesn’t shave, a beard, which may smell “gamey, like wet squirrel or coon.” There is a “light blue terrycloth bathrobe that has become a low-grade monastic cloak,” a detail cribbed from The Big Lebowski (1998).

There are further reasons to wonder whether Know Your Beholder will be terrible. Its privileged straight white man was until recently in a band. That band was called The Third Policeman, after the Flann O’Brien novel beloved by the kind of person who has only read The Wind-Up Bird Chronicle (1994) and “parts” (±30 pages) of Infinite Jest(1996). There is a character named Bob Blubaugh, which would be a funny name if it wasn’t stolen from Bob Loblaw of the TV show Arrested Development. But these infelicities occur in the book’s early pages, and they are signs not of a stunted imagination but of a novel slowly finding its footing.

It seems that the quest of a privileged straight white man to solve his trivial problem is every bit as much a rule-bound form as the Chant Royal or Icelandic saga. One of those rules is that the man in question will not have to work. Rob Gordon of High Fidelity (2000) owns a record store; Ben Stone of Knocked Up (2007) lives off a personal injury settlement; and Francis Falbo “earns” his living renting out rooms in the massive Pollard, Illinois, home that his father has entrusted to his stewardship. (His mother is dead, granting him another, more plausible excuse for self-pity and stasis.) Falbo’s literary antecedents are cinematic; Know Your Beholder will doubtless take its place on the big screen, too.

So why in the holy hell does Know Your Beholder work so well? Falbo ought to be unlikable, a whiner, and he is a whiner most of the time. But he also grows by learning to engross himself in the problems of others, namely, his tenants. There is the couple whose missing daughter has become the subject of a national media circus of the sort ginned up by Nancy Grace; the seemingly happy-go-lucky widower who harbors a deep yearning for genuine friendship and creative expression; the young art student who draws Falbo out of his comfort zone with, of all things, nude modeling; the screwed-up former bandmate who activates Falbo’s nurturing instincts before exhausting them.

And, as with the quest narratives previously discussed, Know Your Beholder takes up its well-trodden path only to do some rather daring bushwhacking on the way. The creativity of its conflicts and vignettes is undeniable. Rapp experiments with suspense, as when the hitherto enervated Falbo rashly decides to stage a break-in after engaging in some ill-advised amateur sleuthing. The way that Falbo dispatches his detested former bandmate is insane, but also hilarious. And Know Your Beholder as a whole has something huge going for it: Rapp’s book is a feast, a smorgasbord, a rijsttafel of language. From its first page, with “storybook snow as soft as sifted cake mix,” it is Pyrex-clear that Rapp knows how to describe ordinary things in jarring and unforgettable ways.

The success of Know Your Beholder lies, finally, in its insistence that a broken heart is a suitable subject for a work of literature regardless of whose heart it is. Even an ostensible loser like Francis Falbo, licking his wounds and hiding from the world, has a soul capable of connection with another person and of suffering at the severing of that tie.

Rapp pulls his punches when he takes the cinematic route of giving Falbo’s ex-wife a cartoon character of a new spouse, easy for us to join him in hating: “A man five years my junior whose chiseled, perfect jawline is deftly offset by one of those undeniably aquiline, Mediterranean noses. A corporate alpha-male who dresses like an adult and shaves every morning . . . who can no doubt execute twenty military-regulation pull-ups while carrying on a lighthearted conversation about the pleasures afforded by his new, ergonomically-contoured office chair.” But Rapp gets something very right when that ex-wife, visiting Falbo on a tragic errand, is pressed to say whether she misses what they had together.

Do you guys have this?” I said.

It’s different,” she said. “We have our own ‘This.’ ”

The New This,” I said.

Yeah, the New This,” she said.

Good album name,” I said.

It is at this moment that Falbo is most definitively shut out by his wife’s new arrangement. But it is also this moment that most completely humanizes him and makes the reader root for his return to human society and sanity. That return won’t come easily, but it’s no spoiler to say that Falbo gets there in the end.

Francis Falbo is confined to house arrest by a self-diagnosed and possibly spurious case of agoraphobia. The young Fyodor Dostoevsky was roused from bed in the middle of the night, charged with membership in a socialist secret society, and ultimately sentenced to a term of hard labor at an altogether different type of house—in Siberia. Dostoevsky’s remarkable account of his imprisonment, Notes from a Dead House (1862; also translated as The House of the Dead), has just been released in a new edition by the celebrated translators Richard Pevear and Larissa Volokhonsky.4 They have previously translated Dostoevsky’s Crime and PunishmentThe Brothers  Karamazov, and DemonsNotes from a Dead House is both a credit to their reputations and a priceless addition to the literature of the penal experience.

Dostoevsky’s account is no simple memoir, though he was aided in its composition by notes he took while a prisoner and passed along for safe keeping to an employee of the prison hospital. He uses the same framing device Flusfeder did in John the Pupil, introductory notes from a fictional “editor.” Because he didn’t believe that his book would pass censorship with a political criminal for its protagonist, Dostoevsky subsumed his own personality into the fictional murderer Alexander Petrovich Goryanchikov. A detail he did not change, as it was all too significant: Goryanchikov is, as Dostoevsky was, a nobleman, meaning that he is detested—alternately harassed and ignored—by the other inmates.

Dostoevsky is obsessed with what he calls the “inequality of punishment.” Suppose two men are given the same sentence for murder, but—in his example—one has knifed a man “just like that, for nothing, for an onion,” while the other “killed defending the honor of his bride, his sister, his daughter.” Sentencing in modern times takes such things into account, but it cannot control for the psychological toughness of the man to be punished. A master of psychological portraiture, Dostoevsky makes plain how one man—wicked but resolute—may easily, thoughtlessly endure a sentence that shatters a softer man.

Notes from a Dead House contains compelling observations about the meaning of labor itself. Dostoevsky finds little inhumanity in the work the prisoners are forced to perform, because it gives them a sense of purpose, bolsters their sense that they retain some value as human beings. “The worker sometimes even gets carried away by it,” he writes, “wants to do it better, more quickly, more skillfully. But if he were forced, for instance, to pour water from one tub into another and from the other into the first . . . [he] would hang himself after a few days.” He details the many other occupations, skills, and hobbies the inmates cultivate to stave off boredom and madness.

Confinement itself is spoken of as punishment throughout Notes from a Dead House, not surprisingly, and Dostoevsky’s words against solitary confinement should be taken up by modern prison reformers. It “achieves only a false, deceptive, external purpose. It sucks the living juice from a man, enervates his soul . . . and then presents this morally dried-up, half-crazed mummy as an example of correction and repentance.” But there is plenty of more savage punishment on offer here: fetters; branding; beatings with rods, knouts, and birches. Dostoevsky tells of prisoners who, awaiting punishment, court worse punishment with new crimes, just to provoke a new trial that will postpone the punishment already in the offing.

There are happy, even comic moments in this grim account. Dostoevsky describes how vodka, of paramount importance (just after money) to the inmates, is smuggled into the prison population; a Christmas tableau demonstrates its merry effects: “I cannot explain how it happened, but right after the major’s departure, an extraordinary number of people turned out to be drunk though five minutes earlier they had all been almost perfectly sober. Many glowing and shining faces appeared; balalaikas appeared.” He records prisoners’ theatricals and songs, and even their sustaining relationships with the prison’s animals. (He admits that dogs were occasionally killed and skinned to make boot linings.)

As a record of imprisonment and punishment in a time and place quite different from our own, Notes from a Dead House is consistently edifying and fascinating. It is still more valuable as a testament to the power of the human will, the way it can marshal patience and imagination and hope against the most nightmarish assaults on human dignity. “From the very first day of my life in prison,” Dostoevsky writes, “I began to dream of freedom. . . . Every convict feels that he is not at home, but as if on a visit. He looks at twenty years as if they were two. . . . ‘We’ve still got a life to live!’ he thinks and stubbornly drives away all doubts.”

Most of our struggles, our quests, do not occur at a level so fundamental to ourselves. But in life the possibility of despair is ever present, and Dostoevsky’s good news is that, by and large, we do not know our own strength.

1 The Buried Giant, by Kazuo Ishiguro; Knopf, 320 pages, $26.95.

2 John the Pupil, by David Flusfeder; Harper, 240 pages, $24.99.

3 Know Your Beholder, by Adam Rapp; Little, Brown & Company, 352 pages, $26.

4 Notes from a Dead House, by Fyodor Dostoevsky; Knopf, 336 pages, $26.95.